Cuijk in het vijfde seizoen, hoe het begon

Een sprookje voor blauwgekielde waanzinnigen I

Cuijk, begin jaren ’60. Als ik de Haagschestraat uitloop, toen nog ’een voorstad’ van Cuijk, lijkt er niet veel aan de hand. Vrouw Boeijen kijkt me na tot ze bijna uit het raam valt, Reintjes verkoopt de dagelijkse boodschappen, kapper van Steenhoven praat meer dan hij knipt en Kelders repareert een orgeltje. Ik ben op weg, eerder op zoek naar het het Kuukse carnaval, ergens in het centrum.

Carnaval in Cuijk?

Er was me verteld dat het carnaval een stille dood ging sterven. Het was, met name buiten Nederland, teruggebracht tot een kinderlijk feest, een folkloristische show. En net nu begint het in Cuijk, ben benieuwd hoe dat hier gaat lopen.

Even terug naar het hier en nu, tegenwoordig doet het carnaval het vrij goed. Overal herleven landelijke maskerades en carnavalsfeesten die ‘traditioneel’ of ‘historisch’ genoemd worden. Wereldwijd is er zelfs sprake van een voorzichtige renaissance. Misschien wel door de fascinatie die ze uitoefenen op een publiek op zoek naar zingeving en authenticiteit. Voorouderlijke rituelen van de eigen gemeenschap worden bestendigd of gewoon opnieuw uitgevonden.

Personeel van de typemachine fabriek Royal-Adler.

Personeel van de typemachine fabriek Royal-Adler.

Van buurtgenoten wist ik dat er al wat initiatieven waren geweest; de personeelsvereniging van Royal (van de typemachines) organiseerde rond vastenavond ieder jaar een feestavond met trekjes van carnaval.

De damesgymnastiekvereniging had in 1958 rond carnaval een feestavond in zaal ’t Loo. Piet van Oostrum, aanwezig op deze avond, vond het feest zo geslaagd dat hij een jaar later, samen met Cees Wijnstok en Jan Cocu, een prinsenbal organiseerde. Dit smaakte naar meer.

Carnaval in zaal ’t Loo

Ik kom Eduard (in Cuijk Eed) van der Heijden tegen. Samen met Fons Singendonk en Jan Manders van de Cuijkse Jongerensociëteit had hij besloten een carnavalsvereniging op te richten. Hij vertelt me dat ze op Tweede Kerstdag 1959 bij Piet van Oostrum binnen waren gevallen om het idee gestalte te geven. Carnaval zou leven brengen in de brouwerij. De twijfelende Piet werd overtuigd door het drietal; Dunlop en Bolsius van Nutricia gaven hun steun, fanfare Caecilia wilde een hofkapel formeren, d’n burger vond het goed, heel belangrijk want de minister van Binnenlandse Zaken had een brief geschreven aan de commissarissen van de Koningin ‘dat maskerades in het openbaar met het oog op de handhaving van de openbare orde niet wenschelijk zijn’. Den Haag is ver weg moet Louis Jansen gedacht hebben. En misschien nog wel het beste argument, in Boxmeer werd het al gevierd!!! ai.

overgang naar het animale

Ik probeerde er nog wat extra argumenten aan toe te voegen: “om de winter te verjagen, de krachten van het kwaad te verdrijven, de fouten en misverstanden van het afgelopen jaar weg te vagen, de komst van de lente te versnellen”. Maar dat vond Eed maar kwats.

Jan Manders was erbij gehaald. Die had met zijn filosofie het initiatief nog een duwtje in de rug gegeven. Volgens Jan is het carnaval een uitstekend middel om oud (in Kuuk geboren en getogen) en nieuw (import) bij elkaar te brengen. De ‘inclusieve samenleving’ lang voor de huidige inspanningen! Begin januari was de eerste vergadering in de Beurs van Harrie en Marie Martens geweest. Piet van Oostrum werd de eerste voorzitter en Jan Manders vorst.

Hoe kwamen jullie nou aan de naam Eed? Wel: “tijdens een avondje vergaderen werd er weer eens stevig geneuld, tot dat mevrouw Videler riep, waarom noemen jullie je niet de Nölers?”. De ene vrouw bedacht dus de naam, anderen maakten de steken (Riet Manders) en de capes (Tiny van Oostrum en Pia Verhey).

Jacques Hermens tenslotte zorgde voor de totems. Het begin was er, nu de rest; krantje, lidmaatschap, Prins, prinsenbal….werk aan de winkel.

Een bestuurslid: “Het prinsenbal houden we op 13 februari 1960, in de Schouwburg. Daar onthullen we de eerste Cuijkse Carnavalsprins. Daar moeten wel toegangskaarten voor gekocht worden, want alleen toegankelijk voor leden van de Karnavalsvereniging De Nölers”.

Ben Roosenboom, directeur van van Lindert en redacteur van de Echo ging de Carnavalskrant uitgeven. Samen met Eed Felling vult hij de krant met advertenties en schrijft ook meteen maar alle redactionele stukken. In naam van het carnavalsbestuur een opwekkend stukje over hoe het Carnaval gevierd gaat worden in Cuijk, maar hij schrijft ook in naam van burgemeester Jansen het voorwoord!  Opvallend in het blad is de presentatie van de Raad van Elf, bestaande uit dertien personen??

Volkomen zinloos en toch vol gratie

Blond schuimend bier en hoem-pa-pa muziek, beide onmisbaar voor het carnaval. Dus op bezoek bij fanfare Caecilia om een Hofkapel te formeren. De groten van de fanfare; Janus Jacobs, Wim Meulepas, Willy van Kempen, Fuusje Heyl, de gebroeders Jacobs, de broertjes Gerrits van den Ende, Thé en Jan Pas formeren de Houwers en de Blaozers. Met aan het hoofd de kleine Wimke Heyl een kapel dat gezien en gehoord mocht worden.

Jan Fransman

Piet van Oostrum zou de ouders van Jan Fransman vragen of hij de urste Kuukse prins mocht worden. Dat mocht, nu nog de naam geheim houden tot het prinsenbal op zaterdag de dertiende. Eerst hadden ze nog de Cuijkse Stier willen gebruiken om de prins te onthullen, maar hoe verberg je iemand in een kaal ijzeren geraamte? Het idee van de stier werd losgelaten toen Eed in Malden een tweede hands jukebox kocht, waarom niet hierin? En zo gebeurde, na enig wringwerk kon de prins zich presenteren aan de carnavalsvierders waarna het een geweldig feest werd. Een goede start voor de Nölers en het Cuijks Carnaval.

Eed met zijn jukebox

“We gaan alles op haren en snaren zetten” hoorde ik de bestuursleden brullen, “op naar de cafés”. Rein Weyers (de Nieuwe Bond), Ben Kuenen (café Royal) en Fientje Sadelhof (Bellevue) verwelkomen de feestvierders met open armen. Bellevue wordt het stamcafé waar later nog menig plan wordt bedacht , besluiten genomen en pilsjes gedronken.

Met hulp van zuster Benilda van de kleuterschool Marlou komt er een kinderoptocht. Ik zie dat ieder kind een traktatie krijgt. Eed fluistert me in het oor: “dat wordt betaald uit de baten van de advertenties in de carnavalskrant (en die moesten we zelf innen!)”. De oudsten worden niet vergeten, de bejaarden van Porta Caeli worden ook bezocht. Zo deelt heel Cuijk in de feestvreugde.

Ik heb het gevonden, het Kuuks Carnaval, een feest van verbroedering – het grote ideaal van de Nölers. De basis is gelegd, over de verdere uitbouw leest u in de volgende delen.

Wat heb ik ontdekt: tijdens dit feest is er geen onderscheid tussen arm en rijk, arbeider of baas, jong of oud, gelovig of ongelovig, blank of zwart. Tijdens enkele dagen in het jaar is er volledige gelijkheid en heerst er een broederlijke vrolijkheid. Ieder heeft de vrijheid zijn leven even te veranderen. Een arbeider kan zich even miljonair wanen, een atheïst kan zich in een priester verkleden. Men kan zelfs van huidskleur veranderen, en dat allemaal door het ‘carnavalsrecht’ op de karikatuur.

Buiten zichzelf van plezier

Als ik weer naar huis loop roept Eed me nog na: “als je vreugde wilt hebben, ga haar dan delen” en “o ja, het is niet de bedoeling dat de mensen met beide benen op de grond blijven”. Die Eed, even filosofisch als praktisch.