De Beerse Overlaat; een gevecht om de ruimte

Het rivierengebied is al tenminste vanaf het Neolithicum (6400 – 3650 jaar geleden) bewoond. De mens heeft, zeker in de beginperiode, zijn activiteiten zoveel mogelijk aangepast aan de verschillen die van nature in het landschap aanwezig waren. De invloed van de mens op het landschap was dus relatief gering. Tot in de Late Middeleeuwen, toen de rivieren bedijkt werden en het rivierengebied op grote schaal werd ontgonnen.

De Maas is een echte regenrivier met veel kronkels. Hierdoor heeft de rivier een sterk wisselend waterpeil, treedt ze regelmatig buiten haar oevers en zorgt zo jaarlijks voor de nodige overlast. Rond 1000 na Chr. werden de eerste kaden en rivierdijken aangelegd. De eerste kaden lagen waarschijnlijk niet evenwijdig aan de rivieren, maar ze omgrensden een dorpsgebied, inclusief de daarbij behorende landbouwgronden. Dit begon in het westen en verplaatste zich steeds verder naar het oosten. Rond 1300 was de bedijking van de grote rivieren voltooid. Sindsdien zijn de dijken geleidelijk steeds verder opgehoogd, waardoor ze soms zeer steil zijn geworden. Dergelijke steile dijken zijn bij hoog water instabiel. Door deze bedijking werden de gevolgen van overstromingen meestal catastrofaler dan voorheen. Voor de bedijking kon de Maas bij hoog water uitstromen, deze verruiming zorgde ervoor dat het water zich verdeelde over een groot oppervlak. Dit gaat met veel minder geweld gepaard dan een dijkdoorbraak en er blijven (veel meer) hoger gelegen delen droog.

12 Rampen

De doorgaande bedijking van west naar oost had ook voor Cuijk een uitwerking, het ontstaan van de Beerse Maas. Met de bedijking schoof ook de zijwaartse druk (de neiging om buiten de oevers te treden) op naar het oosten. Echter, bij de ‘Cuijkse bocht’, had de Maas een smalle bedding en kon het, door de stuwwal van Nijmegen, niet naar het noorden of oosten uitlopen. Hierdoor werd de druk op de zuidelijke oevers zo groot dat men onmogelijk de rivier hier met een dijk kon beteugelen. Het is geprobeerd, maar al snel bleek dat de bedijking niet te houden was. Zonder aanvullende (landelijke) maatregelen was de Beerse Maas niet te voorkomen. Daarom liet men bij Cuijk en Beers een stukje Maastracee onbedijkt om het overtollige Maaswater af te voeren. Was ‘de Maas om’ zoals men dat noemde, dan stroomde het Maaswater via de Beerse Overlaat uit in een brede bedding tussen de hogere gronden in het zuiden en de Maasdijk in het noorden. Om uiteindelijk via de Dieze bij Den Bosch weer in de Maas terug te vloeien.

19-Beerse-Maaseng

Deze Beerse Overlaat zou de inwoners van dit gebied, tot in de jaren ’20 van de vorige eeuw, er aan herinneren dat Rijkswaterstaat ons liever met overstromingen liet zitten dan de inwoners van Holland met natte voeten. Zo werden begin 19e eeuw in opdracht van Gedeputeerde Staten zelfs alle obstakels in de traverse van de Beerse Maas te verwijderd. Schuurtjes, hekken, zelfs bomen en stukken bos werden geruimd om de Beerse Maas ruimere doorgang te verlenen.

overlaat1868

Beerse Overlaat 1868

Eind 19e eeuw drong het besef door dat een goede waterbeheersing een zaak van nationaal belang is. Het water van de grote rivieren moest op een gecontroleerde manier afgevoerd worden. Dat zorgt voor betere scheepvaartverbindingen, bespaart veel waterellende en je voorkomt een voortdurend gevecht om de ruimte: rivieren, natuur, industrie, boeren, woningbouw, alles claimt de schaarse ruimte in ons rivierengebied.

De Waal kreeg een eigen nieuwe monding, de Nieuwe Merwede, waardoor het water van de Waal sneller afgevoerd kon worden. Ook werd de verbinding tussen Maas en Waal ter hoogte van Alem gescheiden, hierdoor kon De Waal het water van de Maas niet meer opstuwen. De uitmonding van de Maas werd naar de Amer verlegd, door het graven van de Bergsche Maas. Hiermee werd de afvoercapaciteit van de Maas aanzienlijk verhoogd (en in feite een deel van de vroeg-middeleeuwse loop van de Oude Maas gereconstrueerd!).

Stap voor stap kon men nu de overlaten sluiten, in 1942 werd de Beerse Overlaat gedicht. Soms nam men te grote stappen, zoals duidelijk werd door de watersnood van 1920 & 1926. De Cuijkse burgemeester van de Mortel heeft, als een roepende in de woestijn, vergeefs geprobeerd Rijkswaterstaat ervan te overtuigen de Beerse Overlaat (nog) niet te sluiten in die jaren ’20.

Na de ramp van 1926 werd duidelijk dat de gehele Maas van af Mook, tot aan de nieuwe monding in de Amer aanzienlijk moest worden verruimd en genormaliseerd. In 1931 is men daarmee begonnen en in 1942 kwamen deze Maasverbeteringswerken gereed.

De dichting van de Beerse overlaat.

De dichting van de Beerse overlaat.

Met het sluiten van de overlaten werd de weg vrijgemaakt voor een nieuwe inrichting van het landschap. Misschien opnieuw overhaast, de watersnoodramp van 1953 en de toegenomen neerslaghoeveelheden dwingen ons weer tot keuzes. Moeten we ons weer, net als in de prehistorie, zo goed mogelijk aanpassen aan de natuurlijke verschillen in het landschap? Vertrouwen we op technologische vernieuwingen? Haastige spoed is zelden goed, maar aan de andere kant……..de Maas wacht niet!

Weer begint het gevecht om de ruimte.