De Veldwachter

In de Franse tijd was er, naast de gendarmerie, nog een politieorganisatie ontstaan die de veldwacht werd genoemd. Veldwachters waren politiemannen die dienst deden in de kleinere gemeenten. Ze werden aangesteld en betaald door de gemeenteraad. Meestal waren de gemeenteraden heel erg gierig als het om de betaling van hun veldwachters ging en leden deze mensen vaak armoede. Niet zelden stond er een collectebus in het gemeentehuis waar de dorpsbewoners een fooi voor de veldwachter in konden stoppen.

Van bewapening of uniformering was meestal geen sprake of het was een pet of hoge hoed met het gemeentewapen en een stok om eventueel mee te slaan. Sommige gemeenteveldwachters waren heel oude mannen. In die tijd was het ook heel normaal dat een veldwachter niet kon lezen en schrijven en dus ook geen proces-verbaal kon opmaken. Iemand die op heterdaad betrapt werd, werd daarom meestal direct getrakteerd op een pak slaag. (ik vermoed dat sommigen nu ineens heel erg terugverlangen naar die tijd). Daar is zelfs een lied op gecomponeerd:

“Pats, pats, pats 
Je dondert er maar door!
Zoo wordt de rust door ons bewaard
Waar anders zijn wij voor? 
Pats, pats, pats
Je hakt er maar op in, 
Zoo ranselen wij de burgerij
Heel opgeruimd van zin!”

In het begin van de negentiende eeuw deed de burgemeester aan de Raad een voorstel tot aanstelling van een persoon. Deze hoefde aanvankelijk niet te beschikken over enige wetskennis, gezond van lijf en leden en een bewijs van goed gedrag waren doorgaans al voldoende. Naam en toenaam werd door de burgemeester genoemd en verder of hij al dan niet gehuwd was en de leeftijd. Als het ook nog eens een persoon was uit de gemeente (‘een van ons’) en er verder niets op aan te merken viel, werd deze persoon met algemene stemmen aangenomen.

In de loop der jaren komt het wel tot een steeds betere selectie van kandidaten. De procedure tot aanstelling en ontslag maakt met de jaren een duidelijke ontwikkeling door.

van Geusau, Stationsstraat Cuijk, links vooraan een veldwachter

In 1881 is er al een voorbedrukte voordrachtslijst met: de naam van de adspirant Veldwachter, zijn leeftijd, zijn lichamelijk gesteldheid, zijn huidig beroep, of hij in de krijgsdienst is geweest en zo ja, hoe hij daaruit is ontslagen, of hij gehuwd of ongehuwd is,  of hij kan lezen en schrijven en zijn zedelijk gedrag. Een politieopleiding of kennis van wetten is nog steeds niet nodig. Dat blijkt ook wel uit de lijsten met sollicitanten. Hieronder sjouwers, havenarbeiders, gemeentebodes, werkelozen, seizoenarbeiders enz.

Gaandeweg solliciteerden ook kandidaten van buiten Cuijk op de functie van veldwachter. Daaronder ook leden van de Marechaussee en mensen met een politieopleiding. Zij hadden meer bagage en waren orde en discipline gewend.

De taken van een veldwachter waren zeer divers, hij zag er op toe dat herbergen en logementen om half elf de deur sloten voor bezoekers, dat er daarna geen drank meer getapt werd noch viool gespeelt! Illegaal steken van zoden en turf, het hakken van brandplaggen, het laten weiden van vee op gemeentegronden door mensen die niet in Cuijk en Sint Agatha woonden en geen vergunning hadden, niet met de veldwachter in de buurt. Verder controle op de hondenbelasting en trekhondenwet, de keuring van trekhonden, de bewaking van dijken en sloten, overbrengen van zwakzinnigen naar Vught, bewaking en voeding van arrestanten en het uitsteken van de vlag van af de kerktoren. Ook het innen van staangelden op een kermis of markt was een taak van de veldwachter. Hij was aanwezig bij het afwegen van boter in de botermijn, die van af 1881 in de Maasstraat was gevestigd. En was er ergens brand geweest, werd de Veldwachter belast met de bewaking van het betreffende pand.

Duidelijk een voltijdse baan.

Indien nodig moesten de dijken ook ’s nachts bewaakt worden, dat kon hij overlaten aan vrijwilligers. De veldwachter zorgde dan voor voeding, verwarming en onderdak en betaalde de vrijwilligers een kleine vergoeding (15 tot 30 cent per nacht). Bewoners die werkzaamheden hadden verricht voor de gemeente, zoals straatvegen, werden ook door hem uitbetaald.

De Botermijn, brandweer, huis veldwachter Grad van Haren (nr 2)

Voor al deze vele werkzaamheden betaalde de gemeente hem in het begin van 1800 ongeveer 150 gulden per jaar. Hij woonde gratis of kreeg een tegemoetkoming in de huurkosten. Doorgaans kreeg de veldwachter een stuk grond van de gemeente om te bewerken, zodat hij voor zijn gezin in de eerste levensbehoeften  kon voorzien.

De Cuijkse veldwachters van af het einde van de Frans-Bataafse tijd tot de Tweede Wereldoorlog:

In 1810  is in Cuijk en Sint Agatha een zekere Gijsbert de Swart de ‘Veldwagter’ onder het bewind van Laurent van Spengler, die dan Maire (burgemeester) is van deze gemeente. Deze van Spengler is eigenaar van een kasteelhuize, tevens het gemeentehuis van Cuijk, gelegen aan de Over Hage te Cuijk.

Ansem van den Hoven richt zich in het jaar van aanstelling 1811 al tot de Maire: ‘dat het den Maire gelieve te behaagen hem van Sijne Post als Garde Campêtrè  tegens Primo December aanstaande te ontslaan, alzo zijne jaaren hem niet toelieten, dit langer na behooren te kunnen waarnemen’.

Ansem wordt opgevolgd door een ‘inboorling van Cuik’, Theodorus Adriaans, wiens gedrag en geschiktheid alle lof kreeg zodat hij met unanieme stemmen werd aangenomen. Met ingang van 01 december 1811 wordt Theodorus de veldwachter van Cuijk, met een tractement (jaarsalaris) van 150 gulden. In 1821 bedankt Theodorus voor post van veldwachter. Hiermee is hij de Raad voor, die hem uit zijn functie wil zetten. Theodorus had geen zin om het, door de gemeente uitgereikte, toerboekje in te vullen. In dat toerboekje moest hij alle ‘postpunten’ en tijdstippen afvinken tijdens zijn patrouille. Overbodige administratie moet Adriaans gedacht hebben (papierwerk is nu nog steeds niet geliefd bij het korps).

21 januari 1822 wordt Hendrik Hendriks voor het Vredegeregt te Boxmeer officieel aangesteld als veldwachter te Cuijk en legt ‘den Eed  af van functien aan deeze zijner bediening verknogt, naast alle trouw en onzijdigheid te zullen waarnemen’. Hendriks was daarvoor veldwachter te Beugen. Hendrik hield blijkbaar van vrouwtjes en drank. Hij was vier keer getrouwd en is in 1823 door de gemeente drie weken geschorst voor wangedrag door dronkenschap. In die weken is hij vervangen door Nagtwaker Martinus Peters.

Zijn opvolger, Hendrik Kloostermeijer deed het, van af 1827, wat dat betreft iets rustiger aan. Over hem werd weinig gesproken en hij is tijdens zijn leven niet gehuwd geweest. Ook Kloostermeijer heeft een tractement 150 gulden. Dit werd soms aangevuld voor het houden van dijkwachten (14 gulden), controle en onderhoud van bruggen en waterleidingen en voor wacht aan de Maas en werk aan de sluis (4 gulden en 30 cent).

Hendrik van den Heuvel, in 1841 aangesteld, blijft maar liefst tot 1880 in dienst als veldwachter van Cuijk. Gedurende zijn ambtsperiode is nimmer  enige negatief woord over van den Heuvel gesproken. Misschien niet verrassend, hij had al met lof gediend als militair en marechaussee.

In de vergadering van 22 juli 1858 deelt de Burgemeester mede, dat de persoon van Leonardus Janssen, nachtwachter te Cuijk, wordt aangesteld als tweede Veldwachter der gemeente. Op 01 september 1865 wordt Leonardus Janssen ontslagen ‘uit hoofde van gebrek aan de noodige ondergeschiktheid en dienstijver’. Hierna werd de Gemeentebode, Theodorus Bekkers, geboren te Cuijk, tijdelijk tot tweede veldwachter benoemd. Voorts wordt het jaarsalaris van veldwachter van den Heuvel verhoogd tot 200 gulden met een toelage van 25 gulden voor aanschaf van bovenkleding! In 1873 wordt zijn salaris nog eens verhoogd tot 250 gulden.

Na Theodorus Bekkers wordt Lambertus Gerrits, tot eind 1879, tweede veldwachter te Cuijk. Hij neemt zijn intrek in een gedeelte onder het gemeentehuis aan de Maasstraat. Hij verdient 200 gulden op jaarbasis.

Eerste veldwachter Cornelis Hubertus Voorter, 1880 tot 1901, woonde, na Theodorus Bekkers, onder het gemeentehuis. Tweede veldwachter was in die tijd Jan Kieft. Kieft vertikte het om in dienstkleding te verschijnen, de voorzitter van de Raad heeft hem daar meermaals op aangesproken. Burgemeester van den Bosch had meer moeite met Kieft ’s verzoek te mogen trouwen met Hendrika Heijl, oud 19 jaar. Hij deelde Kieft mede, dat daargelaten zijn vrouw nauwelijks twee maanden was overleden, zijne keuze met zulk een jong meisje, met weinig huishoudelijke kennis, zijns inziens niet zeer gelukkig was en Kieft bijgevolg aanraadde zijn voornemens vooreerst te laten varen. De familie van Hendrika sloot zich hier bij aan. Kieft nam daarop in 1881 ontslag, ging werken als krankzinnigenverpleger en is nooit meer hertrouwd. Voorter wordt door de Commissaris der Koningin in de Provincie Noord-Brabant  per 01 februari 1902 eervol ontslag verleend.

Van 1881 tot 1884 is Petrus Johannes Gerrits de tweede veldwachter. Hij neemt zijn intrek in de veldwachterswoning naast de Botermijn in de Maasstraat.

Leonardus Meert, enkele maanden in 1902.

Augustinus Martinus van der Heijden zal tot eind 1904 als veldwachter in dienst blijven bij de gemeente Cuijk en Sint-Agatha. Hij krijgt een jaarwedde van 300 gulden, vrije bovenkleding, geschat op 50 gulden, en het gebruik van een perceel  bouw- en weiland met vrije woning en tuin, geschat op 60 gulden.

Hierna ging Johannes van Gils, samen met veldwachter Vogel (1886-1917) de orde handhaven in Cuijk e.o. Van Gils bleef in dienst tot 1936 en was een lange, slanke man, door de bevolking werd hij het ‘lampeglas’ genoemd. Intussen bleef men in de gemeenteraad steggelen over de vergoedingen en salaris van de veldwachters. Dat is blijkbaar ook van alle tijden.

In 1908 was men het er wel al over eens dat de veldwachter een toelage moest krijgen voor aanschaf en onderhoud van een fiets. Om de doodsimpele reden dat hij op een fiets in korte tijd meer diensten kan verrichten!

Gerardus van Haren

Als veldwachter Theodorus Vogel met ingang van 31 december 1917 met pensioen gaat wordt in zijn plaats Gerardus van Haren per 01 januari 1918 als Veldwachter voor de gemeente Cuijk en Sint Agatha aangesteld. Van Haren, voorheen bij de marechaussee, zal tot eind 1940 zijn functie als veldwachter blijven uitoefenen.