Een groote ramp – de doorbraak bij Cuijk

Provinciale Noordbrabantsche en ’s Hertogenbossche courant   19-01-1920

Een redacteur van deze krant besluit er per auto op uit te trekken om de omvang van de ramp te kunnen waarnemen.

Over Boxmeer naar Beugen.

We hooren dat de weg over Rijkevoort naar Beugen niet meer berijdbaar is en besluiten dus den omweg te maken over St Anthonis—Boxmeer. Deze tocht levert weinig bijzonders op. Water valt hier gelukkig niet te bekennen. Naar Beugen wordt het echter weer anders. Daar staan verscheiden huizen diep in het water. Even voorbij Beugen stroomt het water op een punt over den weg heen en daalt als een waterval aan de andere zijde naar beneden. Men heeft hier versterkingen aangebracht en planken gelegd voor de voetgangers. Onze auto zoekt dapper zijn weg door het water heen.

We passeeren Oeffelt. Aan den Maaskant één zee, zoover het oog reikt. De huizen, die niet onmiddellijk aan den weg en dus wat hooger liggen, zijn overstroomd. Halverwege Oeffelt—Cuijk staan we plotseling stil. We kunnen niet verder meer. De weg gaat in de watermassa verloren. Een eindje verder zien we een auto uit de reuzeplas terugkeeren. ’t Blijkt een Bosch gezelschap te zijn, onder wie we een collega van het ‘Huisgezin’ aantreffen. Achter ons komt nog een Bossche auto met twee dames en een heer. Even wordt krijgsraad gehouden en inlichtingen bij de bewoners in de buurt ingewonnen.

Over den Spoordijk naar Cuijk.

We besluiten naar het viaduct te Beugen te rijden en vandaar den tocht te voet te vervolgen. Het derde Bossche gezelschap blijft achter en de overigen beklimmen den hoogen spoordijk om langs deze te trachten Cuijk te bereiken. We vinden naast de spoorrails een smal fiets- of wandelpaadje, dat we volgen blijven tot ook daar het water, dat op het wegje staat, ons verhindert droogvoets verder to gaan. We zoeken nu een „gunstiger” wandelweg tusschen de spoorrails, waar de op ongelijke afstanden liggende dwarsleggers en de sintels en kiezels toch nog boven ’n paar natte voeten te verkiezen zijn. Als we wachtpost 24 passeeren zien we al boerenwoningen geheel en al in het water staan. Er komt juist een bootje aan wal, waarmee men nog een kalf gered heeft. Iets verder staat een lange trein met wagons zand. Op onzen terugtocht langs denzelfden weg bleek, dat men dit gebruikt had om het voetpad langs de spoorlijn, dat zooals gezegd op verschillende plaatsen is ondergeloopen, op te hoogen.

Zoo bereiken we het station te Cuijk dat zelf droog ligt, maar omgeven als het links en rechts is door water, als een eilandje is te beschouwen. Er staan een paar treinen, die gebruikt worden tot berging van menschen en dieren uit de overstroomde streek. De menschen zijn vol van de ellende, die zij hebben meegemaakt. Uren en uren hebben zij op de daken of de bovenverdiepingen gezeten voor zij gered konden worden. Goederenwagens zijn tijdelijk ingericht tot veestallen. Men is er druk bezig met het melken der koeien. We loopen verder de spoorlijn langs om ons naar de plaats der doorbraak te begeven.

De plaats van de doorbraak.

Links van de spoorlijn ziet men overal bootjes varen, naar de overstroomde boerderijen om menschen en vee te redden, ’t Is een droevig gezicht. Water en nog eens water, alles wat het oog ziet. Vlak langs de spoorlijn staan de huizen tot aan het raamkozijn in het water, verderop ziet men de boerderijen soms tot aan de rietendakbedekking in het water staan. Eenzaam staat er een boerenkar, waarvan nog een klein gedeelte boven water uitsteekt. Verschillende schuren zijn heelemaal verdwe nen, zoodat men er met gemak overheen kan varen. ’t Is allerdroevigst en telkens klinken nog schoten — die wij op onze wandeling over den spoordijk ook hadden gehoord — als sein dat er nog menschen in nood verkeerden. Als wij hier langs loopen haalt men juist een paar paarden uit een stal om ze in veiligheid te brengen. Ze gaan tot de borst in het water. Even voorbij de exportslagerij van v. d. Eïjcken, die zelf ook door water is omringd ziet men de rails over een fikse uitgestrektheid totaal verbogen over de dwarsleggers liggen. De grond is er onder weggespoeld, zoodat de rails als ’t ware in de lucht hangen. Langs den kant hangen de telegraafpalen schuin over den weg.

Nog wat verder en we staan aan de breuk in den spoordijk. Van rails en dijk is niets meer te bespeuren over een lengte van een paar honderd meter. Toen de Maasdijk was doorgebroken en heel Cuijk onder water zette, stroomde het water hier ook over den spoordijk, die geleidelijk geheel werd weggevreten. Nog stroomt het water krachtig door deze ontstane opening heen en vergeefs zien we de roeiers tegen den stroom opwerken. Aan de andere zijde van van de breuk in den spoordijk, daar waar de stroom staat, is men bezig met zakken zand versterkingen aan te brengen, teneinde verdere afbrokkeling te voorkomen. Schuins tegenover den spoordijk ligt de doorgebroken Maasdijk. De lengte der doorbraak is op afstand moeilijk te schatten, maar men vertelt ons dat ze ongeveer 60 a 70 Meter bedraagt. Zoolang dat gat niet is gedicht blijft de Maas daar door heen stroomen en zal er geen sprake van kun-

nen zïjn, dat men met de herstelling van den spoordijk een aanvang maakt. Tot dichting van de doorbraak zijn genietroepen ontboden geworden.

Zoo ver het oog reikt ziet men water. Personen uit de streek vertelden ons, dat Beers, Haps, St. Hubert en Rijkevoort geheel onder zijn geloopen. We keren naar liet station terug. Als wij de exportslagerij v. d. Eijcken weer voorbijkomen, zien we, hoe een groote boot over de straat wordt gesleept om aan de overzijde hulp te gaan bieden. In de straat, die langs de evengenoemde fabriek loopt, worden op een vlot levensmiddelen vervoerd. Een bakker loopt er tot over de knieën door het water om brood te bezorgen.

Heel Cuijk overstroomd.

We staan eindelijk buiten het station. In de drie richtingen staan de wegen onder. Hoe zullen we de gemeente binnenkomen? Er is geen sprake van door het water heen te waden. Er komen menschen aan met waterlaarzen en leeren broeken, wie beenen geheel in het water verdwenen zijn. Zoo hoog staat het water hier op den weg, bijgevolg ook in de nabijgelegen huizen. Er wordt echter een geregelde dienst onderhouden met boerenkarren en we zullen trachten op een van deze het hooger gelegen gedeelte van Cuijk te bereiken. Reeds hebben we er een plaatsje op bemachtigd, of men komt ons weer verjagen. Daar moeten varkens op. Een grappenmaker meent, dat het gezelschap dan wel gerust kan blijven staan! We krijgen echter plaats op een ruimeren platten melkwagen. Van daaraf zien we met de kijkers den verren omtrek af. Vlak bij ons, waar een woning rondom in het water staat, is een varken ont-snapt. Drie der huisgenooten zitten het dier achterna, dat ten slotte zwemmend aan zijn vervolgers tracht te ontkomen, maar zich eindelijk gewonnen geeft. In de verte zien we een zware worsteling om het leven van een paard. Het dier is uit een der boerderijen afgehaald en zwemt, den kop juist boven water. Vanuit twee roeibooten tracht men het dier voort te drijven, doch het wringt zich los en zwemt terug naar zijn ondergeloopen stal, achtervolgd door de roeiers, die weldra door een derde boot worden geholpen. Men slaagt erin, het dier weer te doen omkeeren, maar plots ontsnapt het weer in de richting der boerderij. Zoo gaat het eenige malen. Het dier zal het wel met den dood hebben moeten bekoopen. We konden den afloop niet zien, want onze melkwagen was reeds in beweging en voerde ons in de richting van het marktplein. Links en rechts spatte het water hoog op. Wat een troosteloos gezicht! De heele Stationsstraat door tot aan de Molenstraat staan aan weerskanten de huizen in het water. Welk een ruine moet het in die woningen zijn! In de Molenstraat, die droog ligt, hebben wij het hoogere gedeelte van Cuijk bereikt en kunnen we eenige straten droogvoets passeeren. Het Raadhuis is echter weer rondom door het water omringd en ook de woningen in die buurt zijn alleen over planken te bereiken. We slaan den weg in naar de Cuijksche Melkproductenfabriek. Wij passeeren daarbij het gebouw van St. Cecilia, waar overal uit de naastgelegen woningen het water, dat aan den achterkant is binnengedrongen, met kracht uit de kelders en over de drempels de straat opstroomt. Hier heeft men verhoogingen aangebracht van zakken zand, stroo en planken, waarover we, zij het ook ten koste van natte voeten, den Maasdijk, die langs den weg loopt, kunnen bereiken. Dit dijkje verkeert in een erbarmelijken toestand en de Maas staat vlak aan den rand. Op verschillende plaatsen is het Maaswater er doorheen gedrongen, zooals o.a. vlak voor de Cuijksche Melkproductenfabriek, waar de zware granieten keien geheel zijn losgespoeld en waarover het water nog steeds lustig een weg naar beneden zoekt. De weg zelf staat geheel onder en evenzoo de aan die zijde gelegen prachtige tuinen, waar letterlijk niet meer van te ontdekken valt. Overal ziet men bruggetjes gebouwd van ladders en planken om de huizen te kunnen bereiken. De Cuijksche Melkproductenfabriek, die vlak aan de Maas ligt, heeft zelf geen last van het water gehad, evenmin als het daarneven gelegen woonhuis van den directeur. Wel stroomde daar het water als een cascade van de granieten tuintrappen, doch de hooger gelegen woning bleef vrij. In de loodsen, waar voor een zeer groote waarde aan melkpoeder is opgeslagen, is het water wel een oogenblik binnengedrongen, doch men had de poeder tijdig op een veilige plaats kunnen brengen. Aan de achterzijde der fabriek, waar de boot aanlegt, die de melk aanvoert, staat de Maas thans juist gelijk met den rand van den kademuur. Die muur heeft het tot nu toe gehouden en als hij dit ook verder doet, loopt de fabriek waarschijnlijk geen gevaar. Voorbij de fabriek staan de lager gelegen huizen weder onder water en zijn door de bewoners ontruimd.

De watersnood van 1920 in Cuijk
Lacto (nu Nutricia)

 

Hoe de ramp plaats vond. Een verschrikkelijke paniek.

In Cuijk hebben wij verschillende personen gesproken, die ooggetuigen waren van de ramp en ook die er zelf het slachtoffer van zijn geworden, doch gelukkig gered werden. Er was juist in Café „De Korenbeurs” een spoedeisende raadsvergadering en ook de raadsleden verstrekten ons welwillend eenige inlichtingen. Al kregen wij het gebeurde ook bij stukjes en beetjes te hooren, wij zullen trachten zooveel mogelijk een aaneengeschakeld verhaal te geven. Reeds enkele dagen tevoren was tusschen Beers en Cuijk, tusschen de woningen van Driessen en Hofmans een dijkbreuk ontstaan ter lengte van circa *25 Meter. Ook de Maasdijk langs den Provincialen weg liep op sommige punten over, waar gaten ontstonden, die echter gestopt werden. Het water was zoo hoog, dat de peilschaal niet meer teekende, wat in honderd jaar niet meer gebeurd is. Over algemeen, zoo vertelde men ons, verkeerden de dijken in slechten toestand, wat wij natuurlijk niet beoordeelen kunnen. De groote doorbraak is geschied in den ringdijk bij Cuijk, den soogenaamden Valuwschen dijk, die de verbinding vormt tusschen den grintweg Cuijk-Katwijk naar den Spoorlijk. ’s Nachts werd er de wacht gehouden; de dijk was in verschillende vakken verdeeld. Bij het vak, waar de doorbraak geschiedde, bevonden zich o. a. het raadslid Martens en da veldwachter van Haaren. Martens zag omstreeks drie uur, dat het water aan den dijk begon te borrelen, een teeken dat hij op doorbreken stond. Dit was een punt, waar men het minst een doorbraak verwacht had, hoewel het water er tot aan den kruin stond. Eensklaps sloeg 1.50 M. van den dijk weg, waardoor Martens en Van Haaren van elkaar werden gescheiden, zoodat laatstgenoemde slechts over Mook is kunnen terugkeeren. Onmiddellijk werden waarschuwingsschoten gelost en werden de klokken geluid en de menschen in de naaste omgeving, die reeds ter ruste waren, gewaarschuwd. Maar alles ging ontzettend snel in zijn werk. Het gat vergrootte zich steeds meer en meer en bereikte een lengte van 60 a 70 M. Met een donderend geweld stortte zich de Maas door dit gat het land van Cuijk binnen. ’t Moet volgens ooggetuigen een oorverdoovend en angstwekkend lawaai geweest zijn, waarmee zich spoedig de huikreten van de door het water verraste bewoners vermengden. Ook het geloei van koeien en het geschreeuw der andere beesten, die plotseling in het water stonden, was verschrikkelijk. Het water stond in een oogenblik tegen den spoordijk, bij het gedeelte dat in de stroomlijn lag en dat niet voor waterkeering berekend is, en daar het ontzettend snel steeg, spoelde het in korten tijd daar overheen, met het gevolg, dat ook hier bij den duiker een geweldige doorbraak ontstond. Hierop heeft men allerminst gedachte gehad, omdat men zulk een waterstand nooit gekend heeft, zoodat slechts weinigen hun huisraad in veiligheid hadden gebracht. Toen het water met donderend geweld kwam aanrollen viel daaraan niet meer te denken. Het verval van het water was 3 meter. Men begrijpt, dus met welk een geweld het binnenstroomde. In allerijl zochten de bewoners, in de eerste plaats die van het gehucht Nieuwwinkel, die de eerste slachtoffers waren, beveiliging in de bovenverdiepingen en zelfs op de daken. In 10 minuten tijd stond or 40 c.M. in de huizen, zoodat er van redden geen sprake kon zijn. Waar men kon ontvluchtte men nog de woningen, waar mogelijk met medeneming van het vee. Maar aan honderden was dit ontzegd. Zij zagen zich overal plotseling door het water omringd en hun bleef niets anders over dan hun toevlucht te zoeken tot do hooger gelegen gedeelten hunner woningen. Hun hulpgeroep was hartverscheurend terwijl de watermassa brullend kwam aanzetten en met groote kracht tegen de huizen beukte, die ieder oogenblik dreigden in te storten. Het was een algemeene paniek die nog verergerd werd doordat het water ook de machines der electrische centrale bereikte en vele vuren doofde zoodat de heele gemeente in duisternis gehuld was.  Men kan zeggen dat in een half uur de hele boel ondergelopen was. Door het doorbreken van den spoordijk kwam er in de gemeente Cuijk zelf eenige verlichting doordat het water daardoor een 10-tal cm zakte.

Het reddingswerk.

Onmiddellijk waren alle handen in de weer om hulp te verleenen zo goed en kwaad als het aanvankelijk kon. Men had echter geen booten. Direct werd er naar alle klanten getelegrafeerd en successievelijk werden verschillende bootjes aangevoerd door den waterstaat, de spoorwegmaatschappij en particulieren. Men begon aanstonds met het afhalen van de slachtoffers der overstrooming, die op de daken hunner woningen zaten. Wij spraken een man, die met 18 andere personen, op een houten keet heeft gezeten tot een boot hen kwam afhalen. Een vrouw vertelde hoe zij met haar kinderen naar den zolder was gevlucht en ten slotte door het dak gered werd. Overal zag men heele gezinnen op de daken zitten. Maar het aantal booten is te gering om snel hulp te kunnen verlenen. Dat had ten gevolge dat gisteren in den laten namiddag, dus nagenoeg twee dagen na het plaatsvinden van de ramp, nog lang niet alle huizen waren bereikt geworden. En al dien tijd hebben de menschen al dag en nacht op de daken gezeten onder de verschrikkelijkste ellende. Wij hoorden vertellen van een vrouwe met 7 kinderen, die al twee dagen in dien toestand verkeerden, zonder dat men hen had kunnen bereiken. Een lid der Watersnoodcommissie deelde ons gisterenmiddag mede dat hij schatte dat er nog wel 1000 menschen moeten worden afgehaald. Onophoudelijk varen de booten dan ook op en neer om menschen te redden en ook aan hen die hun huizen niet willen verlaten, levensmiddelen te brengen. Want er zijn er die zelfs hun koeien en paarden en varkens mee naar de bovenverdiepingen gesjouwd hebben om hun vee — hun hele rijkdom — niet in den steek willen laten. Er is gelukkig nog veel vee gered kunnen worden. We zagen het immers reeds in goederenwagens van het spoor gestald, terwijl ook in de richting van Boxmeer in veiligheid werd gebracht. Maar er is ook onnoemelijk veel verloren gegaan, vooral vee, varkens en paarden en een heel groot aantal kippen. Telkens spoelen er cadavers aan.

Beesten, die in een toestand aan komen drijven, die hun dood voorzin doet worden ter plaatse geslacht. Op verschillende plaatsen verraden bloedplassen deze noodsituatie. Vele boeren hebben al hun have, hun vee hun graan, hun aardappelen enz verloren, zoodat ze geheel geruïneerd zijn. De schade is dan ook ontzettend.

Men kan zich voorstellen in welk een verschrikkelijken toestand de geruineerden zich bevinden, die dag en nacht op de daken hebben gezeten, blootgesteld aan weer en wind en elk oogenblik vreezende te zullen vergaan. Het aantal zieken onder hen is dan ook groot. Deze worden ondergebracht in het gasthuis der Zusters te Cuijk. Daar bevinden zich nu een 135-tal vrouwen en kinderen, terwijl de mannen een onderkomen vinden in de St Jozefsvereeniging, waar goed voor hen gezorgd wordt. De Watersnoodcommissie draagt zorg, dat zij van koud en warm voedsel worden voorzien. Er zijn verschillende commites tot hulpverlening opgericht. Zusters en dames uit Cuijk laten niets onbeproefd om de ongelukkigen te helpen. De bakkers hebben gisteren den hele dag door gebakken doch zij ondervinden veel last van het stopstaan der electrische centrale.

Het is een groot geluk dat het weder niet stormachtig en betrekkelijk zacht is. Want wat zou de ellende nog niet grooter wezen wanneer storm en vorst het lijden der omgelukkigen, die op redding wachten, nog verergert. Persoonlijke ongelukken vallen God zij dank niet te betreuren. Wel vertelde men dat een kinderlijkje was aangespoeld en een man was verdronken, doch deze berichten zijn gelukkig niet bevestigd geworden. Onder de geredden waren verschillende vrouwen die pas bevallen waren of kort na hun redding bevielen. Even voordat wij Cuijk verlieten vernamen wij dat aan den Graafschen dijk het huis van een zekere Martens was ingestort, waar een gezin van 7 personen op het dak zat. Gelukkig zijn allen gered geworden.

Voor honderd jaren.

Zoo is de toestand, die in en om Cuijk door de dijkdoorbraak is veroorzaakt, en die met recht den naam van ramp verdient; om er zoo een in Cuijk’s geschiedenis terug te vinden moet men honderd jaar teruggaan.

Een oud document deelt daarover het volgende mede: Op den 20en Januari van het jaar O. H. 1820 raakte het meer dan 10 duym dikke eys in de Maas door den schierlyk ingevallen dooy aan het drijven en om drie uur raakte het geheel los; om 9 uuren ’s avonds raakte de aandrang van het eys sterker en het water stond op 19 voet. Den 22 snagts om één uur steeg het water tot de nooit gehoorde hoogte van 22 voet, drie duym.

De dijken begonnen over te loopen. Daarbij had er om 2 uure een zware doorbraak plaats beneden het Dorp bij der Steen-oven. ’s Nachts daaraan stond het water ruym een voet boven de gewone hoogte der dijken. De sterke vorst maakte verhooging der dijken nagenoeg onmogelijk en doorbraak op doorbraak volgde. Elk deed zijn best om de ongelukkigen te helpen die hunne huyzen moesten verlaten. Meer dan 12 uuren lang bleven de dijken op vele plaatsen een voet diep overloopen.

Den 26 january waren er binnen de gemeente Cuyk op een lengte van een uur dijks 13 doorbraken, waarvan er verscheidene meer dan 150 en 200 voeten lang zijn. Drie huyzen zijn geheel weggedreven.

Van een boer alleen zijn 23 schapen en 2 runderen verdronken. Aan huyzen, meubelen, landerijen en dijken is voor een onberekenbaar bedrag verloren gegaan.