Fanfare Caecilia

“Waar iets te doen was in Cuijk, was steeds fanfare Caecilia”

Koningschieten bij het Gilde, Kloosterfeesten in Sint Agatha, Oranjefeesten, Sesamfeest, gouden huwelijksfeesten, zakenjubilea, de opening van de eerste electrische centrale in het land van Cuijk, enz. enz. Fanfare Caecilia stond altijd klaar de bijzondere gebeurtenissen op te luisteren.

De fanfare dateert van 1882 en was lange tijd het oudste muziekgezelschap van Cuijk. Haar ontstaan is verweven met de geschiedenis van één van de oudste verenigingen in Cuijk op ontspanningsgebied ‘de Sociëteit Grote Doele de Harmonie’ (niet te verwarren met het huidige Gaudete), die reeds in het midden van de zeventiende eeuw opgericht moet zijn. De Doele beoefende toen, zoals de naam ook aanduidt, de handboogsport en had als clubhuis café Aelberts in de Grotestraat. In 1882 organiseerde de Doele een groot schuttersfeest dat duurde van zaterdagavond tot maandagavond. Ter opluistering van de festiviteiten was het muziekgezelschap Nos Jungit Apollo uit St. Oedenrode aanwezig. Tijdens het feest verbaasde men er zich over dat Cuijk zelf niet over de nodige muziek kon beschikken. Het idee werd geopperd zelf een muziekkorps op te richten.

In De Echo van 24 september 1882 werd in een oproep de medewerking van de Cuijkse ingezetenen gevraagd om tot oprichting van een muziekgezelschap te komen. Het bestuur van de Doele stelde toen 15 instrumenten ter beschikking. Bij de oprichting meldden zich elf werkende leden. De eerste president werd burgemeester Pieter Groen die zich een lange reeks van jaren verdienstelijk voor het korps heeft ingezet. Groen werd ook de eerste president, die onder meer een geschikte vergader- en repetitieruimte beschikbaar stelde en het gezelschap al spoedig verrijkte met een prachtig vaandel. Dit vaandel werd met veel zorg bewaard. Rukte het korps uit, dan werd eerst het vaandel met veel ceremonieel bij de president thuis uit een afgesloten kist gehaald en na afloop weer netjes teruggebracht.

Als naam koos men Sint Caecilia, de patrones van muziek, instrumentenmakers en zangers. Dat was tegen het zere been van Pieter Groen, te katholiek voor deze protestant. Er werd een compromis gevonden, we laten de Sint er gewoon af en stellen het gezelschap open voor alle gezindten. Polderen in Cuijk, maar niet met het gewenste resultaat. Na een periode van bloei, trad een ernstige verslapping op. De oorzaak was de eis van de geestelijkheid, dat de fanfare zich ‘kerkelijk’ organiseerde en de naam Sint Caecilia voortaan zou gaan voeren. Vele leden werden door de geestelijkheid onder druk gezet. Als een bakker bij Caecilia zou blijven spelen, hoefde hij niet meer op de klandizie van de pastorie te rekenen. De opdracht tot het schilderen van de pastorie ging aan de schilder voorbij, omdat hij lid van Caecilia was. Voor elf leden en voor dirigent Smits werd aldus de druk te groot. Men zwoer het lidmaatschap van de ‘roje fanfare’ af. Maar men hield voet bij stuk, zeer tegen de zin van kerkelijke katholieke zijde. Van af de kansel werd de kerkelijke harmonie Gaudete in Domino opgericht. Verzuiling in optima forma.

In 1901 overleed burgemeester Groen, waarmede het korps zijn oprichter verloor. Tot voor enige jaren werden de verdiensten van burgemeester Groen heel summier onderschreven door de naamgeving van een klein steegje, het Pieter Groenstraatje, een korte verbindingsweg van de Grotestraat langs de veel besproken tuin van de paters Oblaten. De naam moest verdwijnen voor het complex Maasveld.

In de vooroorlogse jaren werd met succes aan vele concoursen deelgenomen. In 1922 bezochten ze een festival in Grave, met de vrachtwagen van Piet Smits. Er werden banken in de laadruimte gezet en wie geen plaats had, ging maar op de grond zitten. De grote trom moest wegens plaatsgebrek op het dak. Een jongen moest erbij gaan zitten om dat ding vast te houden. De takken van de bomen zwiepten in zijn gezicht. En voor het festival in Groesbeek werd de vrachtwagen van Marinus Heyl uit de Kaneelstraat gebruikt. Ter plaatse iedereen eruit om te duwen, die vrachtwagen kon niet tegen de Groesbeekse heuvels op!

Tijdens de tweede wereldoorlog werd Caecilia gedwongen lid te worden van de Kulturkammer. Dat weigerde men, Caecilia dook onder. De instrumenten werden goed verstopt, zodat na de oorlog direct tot heroprichting kon worden overgegaan.

In de eerste jaren na de oorlog was Caecilia het meest gevraagde gezelschap. Men luisterde gildefeesten op, bracht serenades, speelde op bruiloften en partijen. Toen de Cuijkse jongens terugkwamen uit Indië werden ook zij door Caecilia verwelkomd. Rijk werd Caecilia er niet van. Voor een serenade kreeg men een envelop met inhoud.  Van tevoren werd het bruidspaar gevraagd of ze prijs stelden op zo’n serenade. Het is wel eens gebeurd dat men geen serenade wilde omdat er geen geld was om in de envelop te stoppen. Natuurlijk bracht Caecilia die serenade en volgens afspraak werd er een lege envelop in ontvangst genomen zodat niemand in de gaten kreeg, dat die mensen geen geld hadden.

Om de kas te spekken had Caecilia ook een toneelgroep, voor de oorlog al. ’s Middags voor de vrouwen en meisjes en ’s avonds voor de mannen. In die tijd mocht je wel met je vrouw naar bed, maar je mocht er niet mee naar een toneelstuk! Vanaf de preekstoel kregen de vrouwen te horen dat ze niet naar de uitvoering van Caecilia mochten gaan. Dat was natuurlijk de beste reclame, altijd een volle zaal. Na de oorlog begonnen ze met gemengd toneel. Truus en Mies Martens, dochters van voorzitter Martens, waren de eerste vrouwelijke toneelspelers.

Zoals Caecilia al eerder bij de gemengde toneeluitvoeringen het voortouw had genomen, deed ze dat ook bij de boerenkapel. De ‘Kuuklanders’ werd opgericht en men speelde Egeländermuziek. In 1959 ging de kapel bij gebrek aan animo ter ziele. De Nölers waren in oprichting. Ze vroegen Caecilia muziek voor hen te maken. Tot 1979 hebben een aantal leden daaraan meegedaan.

Lange tijd had Caecilia een eigen zaal, aan de Grotestraat. Toen deze zaal in 1963 afbrandde hebben ze een tijdje een zwervend bestaan geleden, tot ze in de zaal van hotel ’t Loo een nieuwe repetitieruimte vonden.

De Caecilia zaal met daaronder het café van Ben Kuenen. De foto is genomen tijdens de feestelijkheden van Cuijks 2000 jaar bestaan.
Deze foto is geschonken door de heer Wismans.

De vereniging kende tal van ups en downs in haar bestaan. Ook aan voorzitters ontbrak het niet, sommige met een grote staat van dienst, een enkeling teleurstellend. Soms hing het voortbestaan aan een zijden draadje, maar ze hebben veel jubilea mogen vieren tot en met het 110-jarig bestaan. Daarna was de koek op. In 1994 gaat Caecilia samen met harmonie Irene uit Beers, maar ook die is intussen ter ziele.

Een fanfare die het grote zag in het kleine en daardoor heel groots kon zijn en met trots kan terugzien op een rijke en afwisselende geschiedenis.

Anekdotes afkomstig van een drietal leden van het eerste uur: Piet Arts, Gerardus Heyl en Martin Theunissen. Zij gingen met het Cuijks Weekblad door een eeuw Caecilia geschiedenis bij het honderdjarig bestaan in 1982.