Wolven in het Land van Cuijk

In Fehde fiel ich   (strijd)

wo ich mich fand:

Zorn traf mich    (toorn)

wohin ich zog:

gehrt’ ich nach Wonne   (geluk)

weckt’ ich nur Weh      (ellende)

 

Aldus de klaagzang van Siegmund uit die Walküre, Der Ring des Nibelungen van Richard Wagner. Siegmund verhaalt over zijn leven als Wölfling in het woud, met zijn vader Wolfe (Wotan). De jager die zelf gejaagd wordt, op zoek naar eten overal ellende veroorzaakt en altijd vijandig benaderd wordt. Aan het eind van de dag alleen nog liefdevol opgevangen door zijn tweelingzus Sieglinde.

 

Zie hier het lot van de wolf, afgezien van een enkel Russisch sprookje (Ivan de tsarenzoon**) wordt de wolf in bijna alle verhalen steevast aangeduid als de (grote) boze wolf. Het zijn echter niet alleen Roodkapje en de drie biggetjes die hem een slechte naam bezorgd hebben. Een wolf zal doorgaans het leefgebied van de mens mijden, maar honger maakt moedig. Door het in cultuur brengen van de natuur kan er een overlap ontstaan, mens en wolf gaan dan hetzelfde leefgebied delen. De wolven vormen dan een bedreiging omdat ze grote economische schade aanrichten. Al snel vindt men de wolvenpopulatie te groot en de jacht op de wolf wordt geopend.

Ook het Land van Cuijk heeft veel overlast gekend van wolven. Al in de 16de en 17de eeuw was er sprake van wolvenplagen en ontstonden er grootscheepse klopjachten, compleet met schutterij, waarvoor zelfs een soort dienstplicht (alle weerbare mannen) werd ingevoerd.

Het Cuijkse gemeentehuis heeft lange tijd zes wolvennetten bewaart van circa 40 meter lang en 2,5 meter hoog, die in de zeventiende eeuw gebruikt zijn als vangnet (een heeft men behouden, de rest is in het bezit van het Openluchtmuseum Arnhem). Ze zijn gemaakt van dik touw met maten van 10 bij 10 cm, uniek in Nederland (en Europa).

De winterperiode was ook voor de wolven natuurlijk de moeilijkste tijd. Om aan eten te komen sloten ze zich aaneen en in groepen stroopten ze huilend de afgelegen boerderijen af. Bij te veel overlast werd dan een klopjacht georganiseerd (in het Land van Cu¡jk zelfs van overheidswege) waaraan alle dorpen in de verre omtrek hun medewerking verleenden.

Bij het krieken van de dag, precies om vier uur ’s morgens werden in alle deelnemende dorpen de kerkklokken geluid. Een half uur later moesten alle deelnemers zich gemeld hebben bij de “rotmeester” waarna men gezamenlijk optrok naar verschillende plaatsen waar de jacht begon. De mannelijke inwoners van Maashees, Holthees en Overloon dreven de wolven dan noordwaarts met rieken, stokken, dorsvlegels en trommels. Als de noordelijker gelegen dorpen op deze manier bereikt werden namen de inwoners van Sambeek, Oploo e.a. hun taak over. Deze werden enkele uren later weer afgelost door de burgers van Beugen, Cuijk, Wanroij en Mill. Op het eind van de middag tenslotte dreven de inwoners van Escharen, Gassel en Beers het “ruïneuse” beest in de wolvennetten. Deze netten waren gespannen tussen de bossen van “De Bort” en “De Geest” onder Gassel/Linden en vormden met de genoemde bosjes een groot fuik waaruit ontsnappen voor de wolven nauwelijks nog mogelijk was.

Voor elke gevangen wolf beurde men een behoorlijke premie zodat de wolvenpopulatie, vooral in de zuid Nederland, drastisch terugliep. Voor het doden van een oude wolf werd zes gulden betaald, voor een jonge wolf drie.    NB In Rusland kreeg men van de plaatselijke vorst een hoge premie voor iedere wolvenhuid. Daar kwam een einde aan toen ‘jagers’ goedkope uit Roemenië geïmporteerde wolvenhuiden aanboden!

Een andere mogelijkheid om een wolf te vangen 
is de ‘wolfscuijl’. Op de route die de wolven lopen (te vinden 
aan de hand van sporen) wordt een diepe kuil gegraven met onderin 
houten spiesen. De kuil wordt afgedekt met bladeren. Het nietsvermoedende dier valt enige meters naar beneden en 
wordt gespietst. In veel plaatsen herinnert een straat of wijk nog aan deze jachtmethode zoals in Nijmegen de wijk Wolfskuil en in Cuijk de straatnaam Wolfskuil (Padbroek).

De zeer effectieve jacht heeft ervoor gezorgd dat de wolf uit Nederland is verdwenen. In 1822 is er nog één geschoten in Groesbeek (Wolfsberg). Geen angst meer voor dat kwaadaardige dier dat ‘kinderen uit de wiegh steelt’ en duistere machten bezit. De wolf, misschien wel slachtoffer van de door velen diepgevoelde behoefte aan een kraakhelder onderscheid tussen Goed en Kwaad. En nu is hij weer terug…….

**het verhaal van Ivan de tsarenzoon en de grijze wolf is bij het grote publiek beter bekend in een balletuitvoering, ‘L’oiseau de feu’, op muziek van Igor Stravinsky. De Vuurvogel behoorde tot een van de eerste successen van de Ballets Russes onder leiding van Serge Diaghilev.