De Martinustoren

Samen met de St. Martinus kerk vormt de Martinustoren een belangrijk onderdeel van de Cuijkse skyline én van het Cuijks volkslied. De eerste regels van dit in 1948 gecomponeerde lied luiden: ‘Waar de ranke spitsen zich statig verheffen, Door d’oude toren zo trouw geflankeerd’.

In het verleden heeft de Cuijkse gemeenteraad diverse pogingen ondernomen van de toren af te komen, maar werd daarbij aanhoudend gedwarsboomd door de hogere overheid. Die had blijkbaar een vooruitziende blik gezien een van haar argumenten: ‘Het nageslacht, opgevoed in betere waardering van monumentaal bezit, zal U niet dankbaar zijn, indien gij deze eerbiedwaardige erfenis vervallen laat.’

De in 1912 afgebroken kerk kwam in de plaats van de vroegere kerk, die in 1480 in vlammen is opgegaan. Schuld hieraan waren inwoners van Den Bosch die ten strijde trokken tegen de Geldersen, die Grave in hun bezit hadden. Bij een dergelijke strijd was het heel gewoon dat het omringende platteland werd geplunderd en gebrandschat.

Van af 1485 werd er aan de nieuwe kerk gebouwd, een werk dat in die tijd jaren duurde. Omstreeks 1520 is de kerk in gebruik genomen. Na de vrede van Munster in 1648, die een eind maakte aan de Tachtigjarige oorlog, werd de kerk genaast (in bezit genomen) door de gereformeerden.

Het onderhoud, zeker van de toren, kwam ten laste van de gemeente. De toren diende als uitkijkpost in tijd van oorlog en de klok was er niet alleen voor oproep tot gebed, maar diende ook als brand- en alarmklok. Een taak van de overheid dus. Dit blijkt o.a. uit stukken in het archief over reparaties in 1740 (herstel scheur in klok), 1755 (2 nieuwe klokken) en een reparatie van het dak in 1766. In 1799 werd onder het Bataafse Bewind de kerk ontnomen aan de protestanten en weer overgedragen aan de rooms-katholieken. Uitgezonderd echter de toren, die in eigendom werd toegewezen aan de gemeente Cuijk. Deze toren was volgens een rapport van 16 februari 1910 opgetrokken uit baksteen. ‘Buitenwerks gemeten 9.45 meter in het vierkant, de muren zijn 2.40 dik. Het bestaat uit drie verdiepingen, de eerste vloer op 10.65 m boven de straatlijn, de tweede vloer op 22.87 meter en de derde vloer op 30.40 meter. Met de balustrade is het gehele metselwerk circa 32 meter hoog, de houten spits meegerekend circa 43 meter.’

Blijkbaar zat het gemeentebestuur in z’n maag met het onderhoud. Het heeft meerdere pogingen ondernomen de toren kwijt te raken. Dat begon al in 1910. De raad zag zijn kans schoon omdat er toen plannen waren een nieuwe kerk te bouwen. Op 16 april 1910 besloot de raad, onder zekere voorwaarden voor wat betreft het gebruik van de klokken, de toren te schenken aan het R.K. Kerkbestuur. Gedeputeerde Staten keurden dit raadsbesluit in hun vergadering van 16 juni 1910 echter niet goed.

In 1922 werd een tweede poging ondernomen, nu verpakt in een voorstel om de torenklokken en het uurwerk over te dragen. Volgens de gemeenteraad waren de nieuwe torens van de Martinuskerk veel beter geschikt om alarmklokken te luiden. De raad bood het kerkbestuur 975 gulden, de gemeente zou dan ontheven zijn van gebruik en onderhoud van de toren. Wederom trad het college van Gedeputeerde Staten als spelbreker op. In een brief van 1 augustus 1922 aan de gemeenteraad van Cuijk schreven zij onder meer:

‘Een van onzentwege ingesteld onderzoek heeft bij ons de vrees gewekt, dat de oude toren zal worden afgebroken wanneer bijgaande overeenkomst door ons werd bekrachtigd. De toestand van de torenspits, waarvan niet alleen de leibedekking doch ook de houten dakbeschieting voor een deel openligt en anderdeels veel heeft geleden, wijst er o.i. wel op, dat gij er al te weinig voor gevoelt, den toren, een monument uit de vijftiende eeuw, in stand te houden.’ En verder: ‘Wij keuren deze blijkbaar opzettelijke verwaarlozing af. Het nageslacht, opgevoed in betere waardering van monumentaal bezit, zal U niet dankbaar zijn, indien gij deze eerbiedwaardige erfenis vervallen laat.’ Weer ving de raad bot.

Maar in 1932 was de raad deze tirade blijkbaar alweer vergeten en zij nam op 30 juni 1932 het besluit, met de motivering de hoge onderhoudskosten die niet waren op te brengen in de crisistijd, de toren af te breken. Dit was niet alleen Gedeputeerde Staten, maar ook het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen te gortig. Bij Koninklijk Besluit van 8 november 1932 werd dit raadsbesluit geschorst. En dat is dus drie keer niks.

Het ministerie kwam met een voorstel. Bij brief van 6 juni 1933 stelde zij voor om van de toren een watertoren te maken. De toren zou zijn uiterlijk aanzien behouden. Het inrichten en de restauratie zou een bedrag vergen van 16.000 gulden, waarvan het rijk en de provincie 85% voor hun rekening zouden nemen. De gemeente zou derhalve 1200 gulden moeten bijdragen. De gemeenteraad vond dit in zijn vergadering van 28 juni 1933 maar een merkwaardig voorstel. Waterleiding (en dus een watertoren) waren niet nodig want men beschikte over goed pompwater en het leverde geen werk op voor de werkverschaffing. Het handhaafde zijn besluit om de toren af te breken. En voor de zoveelste keer werd dit raadsbesluit door de Kroon (bij Koninklijk besluit van 25 augustus 1933) vernietigd. De Kroon voerde aan dat Cuijk een oud plaatsje is met een historisch verleden en dat de toren het enige bouwwerk is dat aan het verleden herinnert. Bovendien is de toren een voorbeeld van gotische architectuur, die alleen al om die reden behouden moet blijven.

Sinds 1973 staat de toren op de lijst van beschermde monumenten en biedt nu plaats aan museum Ceuclum.

Het mag dan al lang in het rijtje ‘ungewollte Denkmäler’ staan (zoals Alois Riegl het zo mooi typeerde in zijn erfgoedwaardetheorie), het is een gebouw, ooit neergezet met een heel andere bedoeling, die door het trotseren van de tijd een erfgoedwaarde gekregen heeft. Het is een overblijfsel van een bepaalde manier van wonen, van gebruiken of ambachten uit het verleden.

De mooie toren staat er nog steeds, een van de weinige monumenten in Cuijk. Het blijft voorlopig nog in ons erfgoed universum.